De keerzijde van empathie is dat het soms zo snel naar de ander gaat, dat je jezelf onderweg kwijtraakt.

“Mijn moeder koos eigenlijk altijd de kant van de ander,” zei Sander.

Als hij thuiskwam met ruzie, verdriet of woede, ging het zelden over hem. Het ging over die ander. Over waarom die ander misschien zo had gereageerd, wat die ander misschien had gevoeld, wat Sander misschien over het hoofd had gezien. Of hij zich wel genoeg had verplaatst. Of hij misschien ook kon begrijpen dat die ander het moeilijk had.

Naar zijn eigen gevoel werd niet gevraagd. Zijn woede werd iets dat genuanceerd moest worden. Zijn pijn werd een ingang om iemand anders beter te begrijpen. Zijn kant van het verhaal werd geen plek om even in te landen, maar een opstapje naar empathie voor de ander.

En ja, aan de ene kant is dat misschien mooi. Dat je leert dat andere mensen ook gevoelens hebben. Dat je niet alleen maar vanuit je eigen gelijk hoeft te kijken. Dat je leert om verder te kijken dan je eerste impuls.

Maar als je kind nog niet eens heeft kunnen voelen: dit deed mij pijn, dan is het veel te vroeg om te vragen hoe het voor de ander was.

Want leuk en aardig, al die anderen zo goed begrijpen, maar hij dan?

Is het niet in de eerste plaats de bedoeling om stil te staan bij het gevoel van het kind zelf? Om eerst te vragen wat er gebeurde. Waar het boos van werd. Wat pijn deed. Hoe het was om daar te staan, in dat conflict, in die vernedering, in dat gevoel van onrecht. En daarna pas te kijken naar de ander.

Want het perspectief van de ander benadrukken is iets anders dan over je eigen perspectief heen stappen. Dat klinkt misschien als een klein verschil, maar volgens mij zit daar precies de wond.

Je kunt allebei doen. Je kunt eerst stilstaan bij je eigen beleving en daarna kijken hoe het voor de ander was. Maar als dat eerste stuk wordt overgeslagen, leer je niet om gegrond te zijn vanuit jezelf. Dan leer je vooral om jezelf te verlaten op het moment dat je geraakt wordt.

Aan de andere kant van de tafel schrok Mila.

“O jee,” zei ze. “Ik zeg tegen mijn kinderen ook vaak hoe het voor die ander is.”

En dat raakte precies aan het punt. Want zij bedoelde dat natuurlijk goed. De vader van haar kinderen was eerder iemand van het agressief oplossen, dus zij wilde juist vredelievend zijn. Zij wilde haar kinderen leren om rekening te houden met anderen, om niet zomaar boos te worden, om niet meteen vanuit hun eigen gelijk de wereld in te stormen.

Maar iets vanuit je eigen perspectief bekijken is niet hetzelfde als agressief zijn.

Dat wordt volgens mij vaak door elkaar gehaald. Alsof je eigen boosheid erkennen meteen betekent dat je iemand gaat aanvallen. Alsof zeggen “ik ben boos” hetzelfde is als schreeuwen, dreigen, slaan of iemand kapotmaken. Alsof je eigen kant van het verhaal serieus nemen betekent dat je nergens meer over na hoeft te denken.

Maar zo werkt het natuurlijk niet. Je kunt best denken: vanuit mijn perspectief is die ander nu even een klootzak. Dat betekent niet dat je diegene meteen hoeft aan te vallen. Dat is weer een ander uiterste.

Het erkennen van boosheid leidt niet automatisch tot agressie. Misschien is het eerder andersom: boosheid die nooit erkend mag worden, verdwijnt niet netjes uit beeld, maar gaat ergens anders zitten. In angst misschien. In jezelf wegcijferen. In niet meer weten wat je voelt. In moeite hebben met grenzen. In sociale spanning. In altijd denken dat de ander vast een punt heeft. In niet meer durven zeggen: nee, dit was gewoon rot voor mij. En dat kan best veel met je doen.

Als je als kind niet goed leert om vanuit jezelf gegrond te zijn, dan is het later een hele klus om dat alsnog te leren. Dan moet je ineens oefenen met dingen die eigenlijk heel basaal hadden moeten zijn. Boos mogen zijn. Je eigen perspectief serieus nemen. Niet meteen jezelf corrigeren. Niet meteen de ander begrijpen. Niet meteen denken dat je je misschien aanstelt, maar gewoon eerst even kunnen voelen: dit gebeurde met mij, dit vond ik niet oké, dit deed pijn.

Daarna komt de rest wel.

Daarna kun je kijken hoe het voor de ander was. Wat daar speelde. Wat redelijk is. Wat handig is. Of je iets moet herstellen, iets moet loslaten, misschien ook je eigen aandeel moet zien. Allemaal prima. Maar niet als eerste. Niet voordat je zelf überhaupt in beeld bent gekomen.

Want empathie is mooi, maar niet als het betekent dat je jezelf steeds overslaat. Dan is het geen empathie meer. Dan is het jezelf wegcijferen met een mooi sausje eroverheen.

En misschien is dat waarom dit onderwerp me zo raakte.

Omdat het zo goed bedoeld kan zijn. Omdat het vaak juist komt van mensen die lief zijn, vredelievend zijn, andere mensen willen begrijpen. Mensen die misschien echt geloven dat ze hun kind iets waardevols meegeven. En ergens is dat ook zo.

Maar als je een kind vooral leert om de ander te begrijpen, en niet eerst leert om zichzelf te voelen, dan mist er iets. Dan leer je misschien wel empathie, maar niet gegrondheid. Niet boosheid. Niet dat je eigen gevoel ook informatie is. Niet: ik mag er ook zijn.

En misschien begint gezonde empathie juist daar. Niet bij meteen naar de ander gaan, maar bij jezelf niet overslaan.

Misschien moet je een kind dus niet meteen vragen waarom die ander dat deed.

Misschien moet je eerst vragen: hoe was het voor jou?

Hi, I’m Nicole

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *